Naar begin Terug

Het verhaal van Jacobus

Algemeen

Jacobus de Meerdere was evenals zijn broer de apostel Johannes van huis uit visser. Samen met Petrus en Johannes was Jacobus aanwezig bij de transfiguratie van Christus op de berg Tabor en zijn gevangenname in de Hof van Olijven. Jacobus was de eerste van de apostelen die de marteldood stierf. In het jaar 44 werd hij op bevel van Herodes Agrippa 1 onthoofd. Volgens overlevering zou Jacobus in Spanje het geloof hebben verkondigd. Zijn gebeente zou in Santiago de Compostela rusten. In de late middeleeuwen werd Santiago na Rome en Jeruzalem de belangrijkste bedevaartplaats van het Christelijke Westen.


Galicië bekeren

Na de Hemelvaart van Christus en de neerdaling van de heilige Geest op het feest van Pinksteren, begint Jacobus zijn eigen apostolaat. De traditie wil dat hij predikte in Judea en Samaria. Op zekere dag vertrekt hij naar het Iberische schiereiland. Negen discipelen vergezellen hem op deze reis. Het land van zijn keuze bleek echter niet erg enthousiast te reageren op de blijde boodschap. Jacobus raakt hierdoor erg mistroostig en keert later terug naar Jeruzalem.


Terug in Judea

In Judea hervat de apostel zijn prediking en zijn faam wordt erg groot. Zo groot dat dit ergernis en vijandigheid opwekt bij de magiër Hermogenes. Deze stuurt Filetus naar Jacobus om alles wat Jezus verkondigt, te ontkennen en voor vals te verklaren. De zoon van Zebedeus weerlegt alle beschuldigingen en aantijgingen. Door zijn woorden en mirakelen overtuigt hij Filetus die zich onmiddellijk bekeert. Dit tot grote woede van Hermogenes. Hij stuurt een leger van demonen op Jacobus af om hem en Filetus gevangen te nemen en geboeid terug te brengen. De demonen worden onderweg zodanig geplaagd door schroeiende vlammen, dat zij huilend en om hulp smekend bij Jacobus aankomen. De apostel bedaart de boze geesten en geeft hen de opdracht terug te keren om Hermogenes geketend bij Jacobus te brengen.

Tijdens de confrontatie tussen die twee gebiedt Jacobus de demonen Hermogenes van zijn boeien te ontdoen en zegt: “We kunnen niemand bekeren, tenzij hij dit zelf wil". Thuisgekomen verzamelt Hermogenes zijn boeken en brengt ze naar Jacobus om ze te verbranden. De gewezen magiër bekeert zich en wordt zelf een vurig verkondiger van het evangelie.


Jacobus’ dood

Het spreekt voor zich dat dit niet naar de zin was van de vijandige joden. De hogepriester Abjatar jut het volk op. Jacobus wordt gevangen genomen en voor Herodes gebracht. Herodes vindt dat Jacobus moet worden onthoofd. De grimmige stoet trekt langs één van de stadspoorten van Jeruzalem. Daar ligt een lamme man die om genezing smeekt. Jacobus geneest de lamme en Josias, de schriftgeleerde die Sint Jacob begeleidt naar het schavot, is zo diep onder de indruk van het mirakel, dat hij voor Jacobus knielt en hem vraagt om christen te mogen worden. Abjatar laat Josias in elkaar slaan en Herodes geeft toestemming om ook hem te onthoofden. Jacobus kan de beul ertoe bewegen een kruik water te brengen om Josias te dopen. Vervolgens worden beiden onthoofd.

In de Handelingen van de Apostelen staat het korte bericht over zijn dood: “Rond die tijd stak Herodes de handen uit, om sommige leden van de Kerk te mishandelen. Jacobus, de broer van Johannes, doodde hij met het zwaard. Dit gebeurde omstreeks het jaar 44".


Begraven in Galicië

Als het donker is geworden, komen Athanasius en Theodorus, twee leerlingen van Jacobus, het lichaam van de apostel halen. Zij leggen het in een bootje zonder roer en door een engel geleid drijft de boot in zeven dagen naar de kust van Galicië, in de monding van de rivier de Ulla. In de plaats Padrón loopt het bootje vast op een steen die nu nog onder het altaar van de parochiekerk daar te zien is. De leerlingen gaan aan land en plaatsen het lichaam van Jacobus op een witte steen die onmiddellijk smelt als was en zich vanzelf vormt tot een prachtige sarcofaag. Het lichaam van Jacobus wordt vervolgens waardig begraven in de buurt van Lupuria.


De ontdekking van zijn graf

Eeuwen gaan voorbij. In 711 vallen de Moren Spanje binnen en maken zich volledig meester van het gehele schiereiland. Niemand denkt nog aan het graf van de heilige Jacobus, tot er omstreeks 813 een groot wonder gebeurt.

Niet ver van Padron leefde een kluizenaar, Pelayo genaamd. Op een zekere nacht ziet hij een helder licht stralen boven het struikgewas. Dit verschijnsel herhaalt zich enige malen. Theodomirus, de bisschop van Iria Flavia, waar Padron deel van uitmaakt, wordt op de hoogte gebracht. Hij schrijft een vasten voor van drie dagen en laat de aangegeven plaats onderzoeken. Tot grote verbazing van alle aanwezigen ontdekt men onder de overwoekerende plantengroei het graf van Sint Jacob.


De bouwgeschiedenis naar de huidige kathedraal

Na de ontdekking van dit kleine mausoleum stuurt Theodomirus een bericht naar koning Alfons II van Asturië (791-842). De vorst komt naar Galicië, laat het gebouwtje restaureren en bouwt op het graf een klein kerkje. Weldra wordt het gebouwtje te klein en samen met bisschop Sisnandus I bouwt Alfons III (866-910) een nieuwe, grotere kerk die in 899 wordt gewijd. Deze kerk heeft het ongeveer een eeuw uitgehouden, totdat in 997 de Moren het gebouw in de as leggen.

Toen Alfons VI (1072-1109) koning werd van Castilië en Leon, was de begraafplaats van Sint Jacob intussen het centrum geworden van een kleine stad, Santiago de Compostela. De bisschop van Iria Flavia verlaat zijn buitenverblijf ten voordele van Compostela, en dus wordt het tijd een nieuwe kathedraal te bouwen. Dit is de huidige kathedraal van Santiago. De uiteindelijke wijding van het kerkgebouw is in 1211.


Ontstaan van de verering

Reeds voor de ontdekking van zijn graf, bestaan er in Asturië liturgische vieringen ter ere van Jacobus. Aanvankelijk is dit op 30 december. Vanaf de elfde eeuw herdenkt de Spaanse kerk op deze dag de translatie van het lichaam van Sint Jacob. De herdenking van zijn marteldood viert men op 25 juli.

De oudste schriftelijke vermelding over het ontstaan van de Jacobusverering is terug te vinden in een Franse tekst van vóór 870. De tekst zegt, dat: "Het gewijde gebeente van de heilige apostel naar Spanje werd overgebracht en aan de uiterste grens van Spanje werd begraven, tegenover de Britse zee. Het gebeente wordt er hogelijk vereerd". Vanaf dit ogenblik ontstaan meer geschriften over het apostelgraf. Door heel Europa ontstaan belangrijke pelgrimsroutes naar Santiago. Vanaf circa 1100 is de stad na Jeruzalem en Rome de belangrijkste bedevaartplaats. Met de reformatie in de 16e eeuw vermindert de belangstelling, maar na de echtheidsverklaring in 1881 door Paus Leo XIII bloeit deze weer op en duurt tot op de dag van vandaag.


Santiago de Compostela

Dat de stad de naam van Sint Jacob heeft gekregen, is niet zo verwonderlijk. Sint Jacobus is in het Spaans Sant Iago. De oorsprong van de toevoeging Compostela is echter niet eenduidig.

De meest verspreide en populaire etymologie leert dat het woord Compostela een vervorming zou zijn van campus stellae, dat staat voor het veld van de ster. Een duidelijke herinnering aan het miraculeuze lichtschijnsel dat leidde tot de ontdekking van het apostelgraf.

Het zou ook afkomstig kunnen zijn van compositum tellus, ofwel ‘een mooi samengesteld stukje aarde’. Dit kan worden geïnterpreteerd als een landgoed dat er perfect uitzag. Maar…uitgaande van het Latijnse woord ‘componere’ in de betekenis van ‘begraven’, verklaren andere etymologen Compostela als een verkorting van compositum met het bijvoegsel ela: een directe verwijzing naar het graf van Sint Jacob.

En, om het misschien nog verwarrender te maken, is er de opvatting die in de jaren 70 van de vorige eeuw naar voren kwam. Het zou teruggaan op een veel oudere, Keltische betekenis. Compostela zou een verbastering zijn van ‘comboros’ en ‘steel’ en zou niets anders betekenen dan stortplaats voor mijnafval. De werkelijke oorsprong van de toevoeging Compostela aan Santiago blijft nog altijd duister.


De schelp van Jacobus

Jacobus is vaak afgebeeld als een pelgrim naar Santiago. Aan de hoed en op zijn borst draagt hij de pelgrimsschelp, die vanaf de twaalfde eeuw het teken van de pelgrim naar Galicië is.